Het Plan Lievense bestaat dit jaar dertig jaar. Het idee voor energieopslag in een groot waterbekken blijft telkens opduiken. Of het Energie-eiland in zee er binnenkort komt, is de vraag. Waldo Molendijk, adjunct-directeur van ingenieursbureau Lievense, kijkt vooral naar Den Haag. ‘De overheid moet zich op het gebied van energie- en milieubeleid meer standvastig tonen’.

 

Het oorspronkelijke Plan Lievense dateert uit 1981, toen ingenieur L.W. Lievense een idee lanceerde voor energieopslag in het Markermeer. Met dijken van veertig meter hoog wilde hij een water-energiebuffer creëren van een paar vierkante kilometer. In tijden van weinig elektriciteitvraag en veel aanbod zou het waterpeil stijgen door water in het meer te pompen. Als de energievraag en daarmee de prijs zou stijgen, dan zou het peil dalen en kon de waterkracht met turbines worden benut. ‘Vooral de geplande kerncentrales maakten het plan destijds aantrekkelijk. Vandaar dat het plan later voor de kust van Zeeland bij Borssele, is geprojecteerd. Met grootschalige opslag zou een kerncentrale 24 uur per dag kunnen draaien. ’s Nachts zou het nagenoeg gratis elektriciteit opleveren, die overdag tijdens pieken verkocht kon worden’, verteld Molendijk. De kernramp van Tsjernobyl in 1986 gooide roet in het eten. Kernenergie was daarna politiek onbespreekbaar. Met de windparken op zee kwam Plan Lievense weer bovendrijven. Het werd omgebouwd tot het Energie-eiland, een concept dat Lievense in 2007 samen met de gebroeders Das en KEMA uitwerkte. ‘De opslagcapaciteit van het Energie-eiland is voldoende om meer dan 12 uur een vermogen van 1500 MW te leveren, vergelijkbaar met een grote elektriciteitscentrale’, zegt Molendijk.

 

In de koelkast

In 2008 kreeg het Energie-eiland de wind in de rug. Als voorzitter van het Innovatieplatform sprak voormalig premier Balkenende enthousiast over het plan. ‘Wat mij betreft komt het er zo snel mogelijk’, stelde de premier destijds. Inmiddels staat het plan weer in de koelkast. Puur alleen voor energieopslag kan de bouw van een Energie-eiland op dit moment niet doorgaan, erkent Molendijk. Om het plan economisch rendabel te krijgen zijn meerdere functies nodig. ‘Het eiland kan dienen als hub voor de bouw en het onderhoud van de ver van de kust gelegen windparken. Je zou er ook de stroom van het park kunnen transformeren, om energieverlies bij het transport naar de kust tegen te gaan. ‘Waar het op dit moment aan ontbreekt, is een betrouwbare businesscase. ‘Investeerders zijn bereid risico’s te nemen, maar ze willen niet afhankelijk zijn van een sterk wisselend en inconsequent overheidsbeleid. Ad-hocbeleid doet grootschalige opslag geen goed’.

Ook Frits Verheij van KEMA, projectleider van het Energie-eiland, stelt dat het lastig is om de businesscase rond te krijgen. ‘Met grootschalige opslag valt jaarlijks tientallen miljoenen euro’s te besparen, maar dat is niet voldoende om de investering terug te verdienen. Potentiële investeerders als Delta, Essent, Eneco en Nuon, die eerder kansen zagen, zijn om die reden afgehaakt. Het plaatje zag er minder gunstig uit dan dat we oorspronkelijk dachten. ‘Toch is het plan niet definitief van tafel. Bij de Europese Commissie ligt een projectvoorstel van KEMA voor een studie, waarin het Energie-eiland een rol speelt. Molendijk ziet weer kansen, nu minister Verhagen zich uitspreekt voor de bouw van nieuwe kerncentrales. ‘Een Energie-eiland, onder meer in combinatie met een kerncentrale, zou de businesscase ten goede komen’, zegt hij hoopvol.

 

bronvermelding: Energie+ nr. 2, april 2011