Voorwoord
In deze nieuwsbrief aandacht voor enkele projecten waarvan twee in het buitenland. Lievense gaat vaker internationaal. Dat is al enige tijd onze strategie: onze core business ook in het buitenland uitoefenen. Die keuze wordt versterkt door de matige vooruitzichten in Nederland, waar we budget tekorten van alle overheden zien en te maken hebben met banken die zeer terughoudend zijn met financieringen. Dit heeft geleid tot een sterke teruggang in de markt, begonnen bij de woningbouw, maar dit heeft zich in twee jaar als een olievlek over heel bouwend Nederland uitgespreid. Sommige opdrachtgevers laten zich verleiden tot het inkopen van diensten onder de kostprijs, waarbij op korte termijn wordt gescoord met lage voorbereidingskosten maar niet wordt gekeken naar het lange termijn effect van life cycle kosten van een project of de gewenste kwaliteit wordt gehaald.
Wij vinden dit een slechte zaak. Onderzoek geeft aan dat het aantal technici over 5 jaar minder zal zijn dan nu en dat de opleidingen nog steeds niet in de vraag op de arbeidsmarkt kunnen voorzien. Dit leidt ertoe dat ingenieurs mogelijk eerder uittreden en erger, dat jongeren zich wel drie keer bedenken voor ze aan een technische studie beginnen. Immers, dan wordt je dubbel gepakt. Eerst door staatssecretaris Zijlstra die gelijke normen oplegt voor feeststudies en voor de moeilijke technische studies. En wij willen ook ingenieurs die zich verdiept hebben in de maatschappij en niet alleen in kromme d’s. Met andere woorden, uitloop in Delft is bijna onvermijdelijk en soms zelfs wenselijk! Ten tweede, in het algemeen krijgen technische beroepen een lagere maatschappelijke waardering en worden matig betaald wanneer je ze vergelijkt met medici, juristen, accountants, IT consultants etc. Wanneer door natuurgeweld de samenleving wordt bedreigt, neem Fukushima, zijn uitstekende ingenieurs nodig om dit soort situaties te voorkomen en adequaat op te lossen. Nederland heeft talenten nodig die constructeur willen worden. Dan is maatschappelijke waardering en een tariefsverbetering voor techniek nodig om op de arbeidsmarkt te kunnen concurreren met andere bedrijfstakken en geen tariefsverlaging zoals nu de tendens is.
Ook is een innoverende samenleving met uitdagende projecten nodig. Dat geeft de juiste prikkel aan ambitieuze ingenieurs. De overheid schiet daarin tekort. Veel praatwerk, maar weinig zaken die tot de verbeelding spreken. De tijden van het Deltaplan liggen ver achter ons, en de kansen die er zijn, zoals de Afsluitdijk, Energie eiland of windenergie op zee, stranden op gebrek aan daadkracht en angst voor een nieuwe aanpak waarbij controle uit handen wordt gegeven aan de markt, maar vooral, op geldgebrek.
Voor onze continuïteit doen wij meer in het buitenland. Daar vinden wij opdrachtgevers die onze kennis op waarde schatten. Onze strategie heeft zich vertaald in bedrijven in België, St. Maarten en Trinidad. En ook in Curaçao waar Lievense een Letter of Intent heeft getekend met Ascon NV. Daarmee zijn wij sterk aanwezig in Suriname, de Benedenwinden via Curaçao, en de Bovenwinden via St. Maarten. Hier liggen kansen in Caribisch Nederland (de BES eilanden). Wist u dat vanaf 10/10/10 de tweede haven van Nederland gemeten in tonnage in Caribisch Nederland ligt? En zo zullen de eilanden meer onverdachte verrassingen hebben. Lievense heeft opdracht gekregen voor het onderzoeken van de maritieme aangelegenheden op de drie eilanden om na te gaan in hoeverre implementatie van wetgeving op problemen stuit.
Het belang van het buitenland is ook erkend door het Ministerie van E&I, die acht topsectoren heeft bepaald, die kansrijk zijn voor export en waar innovatie en versterking van de sector nodig is. Water is zo’n kansrijke sector. Wij zijn benieuwd naar het plan daarvoor. We missen in water nationale kampioenen. Lievense werkt in het buitenland samen met grote bedrijven. Deze partijen doen projecten van (+) 500 miljoen euro door DBFMO concessies. Zij zijn ervaren, weten het te managen en te realiseren. De Nederlandse watersector kent gefragmenteerde en gespecialiseerde bedrijven die incidenteel zeer goed zijn in hun product, maar gezamenlijk onvoldoende een geïntegreerde oplossing bieden voor de export. Op de grote projecten zie je Nederlanders als onderaannemer hun product leveren, maar sturen wij nauwelijks mee met internationale consortia.
Dit vertaalt zich door naar Nederland zelf. Op de A4 zijn twee van de drie consortia buitenlanders. Voor het traject Schiphol-Almere is grote internationale belangstelling vanwege de schaal van het project. Mooi dat we zo ervaring opdoen in DBFMO, iets wat in het buitenland al gebruikelijk is. Ik hoop dat de nationale proeftuin toch vooral nationaal zal blijven.
Hulp van de overheid en het Topteam Water is nodig. Samenwerken ook. En de ambitie om voor Nederland grote buitenlandse projecten te krijgen. Onvermijdelijk moet dit leiden tot keuzes, waarbij slechts een beperkt aantal segmenten sterk worden ondersteund. Ik wens Koos van Oord, voorzitter van het Topteam Water, alle sterkte toe! En ik wens u veel leesplezier en inspiratie uit onze projecten.